Voorwoord
Dit handboek legt uit hoe CBER werkt: een geldsysteem waarin de munt vastzit aan iets dat je kunt meten, namelijk opgeslagen stroom.
Op de voorpagina staat het idee in het kort. Hier staat het uitgerekend, met de aannames erbij en de gaten erin. Wie wil weten of het klópt, is hier aan het juiste adres.
Waarom we hieraan begonnen
Geld is het middel waarmee een samenleving werk en grondstoffen verdeelt. Sinds 1971, toen de koppeling met goud werd losgelaten, hangt dat middel nergens meer aan vast. Euro's en dollars ontstaan wanneer een bank een lening verstrekt: geld uit het niets, gedekt door de belofte het terug te betalen.
Dat werkt verrassend goed, tot het niet meer werkt. Twee dingen zitten ons dwars.
De echte wereld heeft grenzen, het geld niet. Een bos groeit maar zo snel, een accu houdt maar zoveel vast, een dag heeft 24 uur. De geldhoeveelheid kent zulke grenzen niet en kan exponentieel groeien. Dat drukt de prijzen omhoog en de aarde leeg.
Bijna niets staat er echt. Banken houden maar een fractie van de tegoeden aan als reserve. Zolang niet iedereen tegelijk zijn geld opvraagt, merkt niemand dat. Vraagt iedereen het wél tegelijk op, dan blijkt het er niet te zijn. Dat heet een bankrun, en het is geen ongeluk maar een ingebouwde eigenschap.
CBER probeert die twee dingen aan te pakken door het geld vast te maken aan iets dat wél grenzen kent en er wél echt ligt.
Waarom juist nu
Drie ontwikkelingen maken dit een redelijker idee dan het twintig jaar geleden was.
De rekening van oneindige groei komt binnen. Een economie die alleen kan bestaan door te blijven groeien, botst vroeg of laat op een planeet die dat niet doet. Een munt die aan energie vastzit, rekent die grens automatisch mee in plaats van hem te negeren.
Het huidige systeem moet steeds vaker gered worden. Schuldencrises en reddingsoperaties met publiek geld zijn geen incidenten meer.
De infrastructuur ligt er inmiddels. Zonnepanelen op daken, thuisbatterijen, elektrische auto's die 's nachts aan de laadpaal hangen. Twintig jaar geleden zou een reserve van opgeslagen stroom een paar grote centrales betekenen. Nu kan iedereen meedoen, en dat verandert wie het systeem bezit.
Wat we wel en niet beweren
Dit is misschien wel het belangrijkste stuk van het hele handboek. Een idee dat alles claimt, is niets waard.
Wat we wel beweren
- Dat een munt die gedekt is door meetbare, opgeslagen stroom een stabiel anker kan zijn, en beter bestand tegen inflatie dan een munt die nergens aan vastzit.
- Dat de boekhoudkundige bankrun zinloos wordt wanneer iedereen tegen dezelfde meterstand inwisselt: de dekkingsgraad verandert niet door inwisselen, dus rennen loont niet. Twee echte gaten blijven over, en die dicht de spec: er wordt afgerekend tegen de eerstvolgende geauditeerde meterstand (nooit tegen een oude), en omdat kWh geen kW is komt er naast de dekking een tweede live getal, de vermogensdekking, met een openbare wachtrijregel waarin de Basispuls voorgaat.
- Dat een vaste energiebodem voor iedereen, plus een heffing die zwaarder drukt naarmate je meer oppot, de boel socialer en beweeglijker maakt dan hij nu is.
- Dat een economie zonder schuld kan draaien, en dat dat geen morele keuze is maar een monetaire. Geld zoals we het kennen ís een belofte, dus beloftes toelaten is geldschepping toelaten. Daarom kent dit systeem wel plichten en geen beloftes: je koopt iets, je huurt het, of je bouwt er stukje bij beetje eigendom in op. Dat haalt een hoop ellende weg en het kost ook iets; wat precies, staat in kritiek.
- Dat elk getal dat de geldhoeveelheid verhoogt van een verzegelde meter komt die al heeft afgelezen. Waar geen meter staat, telt de stroom niet mee, en een verlies dat nog niet heeft plaatsgevonden wordt niet geboekt. Er wordt wél gemodelleerd, op vier plaatsen: de slijtage tussen twee capaciteitstesten, de temperatuurcurve, de afschrijving tussen die testen door, en de muntcoëfficiënt die op twaalf maandwaarden is gebaseerd in plaats van op dit interval. Dat valt telkens conservatief uit, dus richting een lágere reserve, en het heet in het openbaar model en geen meting. Dat is minder mooi dan "er wordt niets geschat" en het houdt wel stand. En de boekhouding mag niet wegdrijven van de accu: minstens één keer per maand wordt zij opnieuw geijkt aan een fysieke meting, en wat er dan afwijkt gaat het openbaar in. Daar staat of valt het hele ontwerp mee, en het is tegelijk het makkelijkst te controleren.
Wat we nadrukkelijk niet beweren
Dit is geen natuurwet. Er is geen formule waarin CBER besloten ligt. Het is een ontwerp, een manier om iets in te richten. Rekenwerk helpt om te simuleren en te controleren, maar het rekenwerk ís de theorie niet.
Niet iedereen kan de boeken zelf narekenen, nog niet. Dit was een van onze grootste beloftes en hij is bijgesteld. Onder ongeveer duizend deelnemers houdt hij geen stand, want de reeksen die je nodig hebt om zelf na te rekenen zijn precies de reeksen die op die schaal individuele mensen aanwijzen. In een dorp van tweehonderd huishoudens is een openbaar cijfer per meetstation al bijna een naam. Daar leunt de controle dus op drie andere dingen: een onafhankelijke auditor, getuigen die elk interval meetekenen, en een privébewijs waarmee jij ziet dat jouw eigen mutaties goed in de som zijn meegeteld. Wanneer de volledige publieke narekenbaarheid terugkeert hangt niet af van een aantal deelnemers maar van de spreiding van het bezit: pas als de grootste anonieme bezitspost twaalf maanden lang onder een vaste drempel blijft. Wij zetten dit hier bij de beloftes die we niet doen, en niet in een voetnoot: het is de prijs die we hebben betaald om privacy zwaarder te laten wegen dan controleerbaarheid, en een prijs die je verstopt is geen prijs maar een truc.
Niet alle waarde komt uit energie. Een goed gesprek, een liedje, iemand die weet hoe het moet: daar zit waarde in die je niet in kilowattuur uitdrukt. Energie is niet de bron van alle waarde. Het is de bodem waar alle waarde op rust, want zonder stroom staat de rest stil.
Dit lost niet alles op. CBER pakt een paar specifieke problemen aan: geld dat uit het niets ontstaat, bankruns, en het ontbreken van een fysiek anker. Het is geen vervanging voor wetten, voor politiek, of voor mensen die het met elkaar eens moeten worden. Wie beweert dat één ontwerp een samenleving repareert, verkoopt iets.
Wat er nog niet klopt of nog niet af is, staat in kritiek en in onderzoek: wat we hebben aangetoond, wat een aanname is, en wat we simpelweg nog niet weten.